Hoeve Oud Meerveld
Fietstocht en oplaadpunt electrische fiets
    Klompenpad Griezeveensepad
      Contact
        Verkoop van dieren
          dieren

          Zeldzame Landbouwrassen

          Op het erf en in de weilanden van Hoeve Oud Meerveld zijn veel boerderij dieren te vinden die bijna uitgestorven zijn. We hebben  besloten om zoveel mogelijk dieren te houden die bij de historie van Nederland en zijn boerderijen hoort. Als we de landschappen willen behouden zoals vroeger dan horen volgens ons daar de dieren bij die vallen onder de “zeldzame huisdierrassen”. Bij ons zal u kunnen genieten van de Witrik/Streeprug koe, Nederlandse Landgeiten, Zwartbles schapen, Bonte Bentheimer varkens, en verschillende soorten kippen. Om goed te kunnen fokken en zo de populatie van de dieren die met uitsterven worden bedreigd in stand te houden zijn we aangesloten bij diverse stamboeken. Een overkoepelend stamboek hiervan is de Stichting Zeldzame Huisdierrassen. Hier zijn wij ook bij aangesloten. www.szh.nl

           

          Nederlandse Landgeit   

           

          Momenteel hebben we 3 geiten en 2 bokken in ons bezit.  

          Onze geiten zijn: Jo v't Steegert, Julie en Julia en Katrien van 't Oude Meerveld. 

          Onze bokken zijn: Kobus v't Steegert. 

          Onze geiten zijn CAE en CL vrij gecertificeerd. (erkend CAE/Cl vrij bedrijf door de gezondheidsdienst voor dieren). Dit zijn ziekte's die voor veel narigheid kunnen zorgen onder de dieren. Bedrijven met een publieke functie  in NL zijn verplicht om vrij-gecertificeerde dieren te houden. Onze lammeren gaan daarom ook vaak naar kinderboerderijen/educateve centra. Voor de landgeiten zijn we lid van het stamboek. Hierdoor hebben we de beschikking over een programma waarmee we kunnen zien of geiten/bokken van elkaar familie zijn. Dit is belangrijk om te weten zodat inteelt kan worden voorkomen. Ook willen we zorgen dat er goed geiten worden gefokt zoals ze er vroeger uit zagen. Hiervoor is binnen het stamboek veel ervaring en advies aanwezig. Om te mogen fokken via het stamboek moeten we ons aan richtlijnen houden en daarom is er elk jaar een keuring. Zo kan het dus voorkomen dat we het ene jaar een goede bok hebben en dat hij de volgende keer wordt afgekeurd. Voor meer informatie kan u kijken op www.landgeit.nl 

          De Nederlandse Landgeit is een stevige, middelgrote geit met horens. Vooral de bokken hebben zware, meestal liervormige horens, en vaak een bokkenpruik en een wipneus. Bokken zijn altijd langharig, terwijl de geiten ook kort-ruigharig kunnen zijn. De vachten variëren van bont, met zwarte, bruine, beige of blauwe vlekken, tot een enkele keer helemaal wit. De Nederlandse landgeit wordt vooral als hobbydier gehouden en soms worden ze gemolken. Daarnaast worden ze ingezet bij de begrazing van natuurterreinen. Eén kudde houdt al ruim twintig jaar de Mariapeel vrij van ongewenste boomopslag. 

          Geschiedenis                                                                         In het begin van de zestiger jaren was de landgeit op enkele exemplaren na verdwenen. Enkele dieren, wat al te fanatieke ‘leiders’ uit een schaapskudde in het Gooi, werden geschonken aan de dierentuin Blijdorp te Rotterdam. De toenmalige directeur van deze dierentuin dr. A.C. van Bemmel ging fokken met deze en enkele andere landgeiten, die nog voldoende het type hadden. Toen deze landgeitengroep de dierentuinomvang ontgroeide ging een koppeltje van 4 geiten en 4 bokken in 1971 naar het Rijksinstituut voor Natuurbeheer in Leersum. Deze koppel groeide in omvang en er kon worden geselecteerd op het oorspronkelijke type, zoals dat werd afgeleid van oude afbeeldingen op schilderijen. De laatste jaren gaat het goed met het aantal dieren. In 2000 stonden 1473 dieren in het stamboek ingeschreven. Daarmee is de geit opgeklauterd uit een kritieke situatie naar de status van een kwetsbaar ras.  

           

          Zwartbles schaap

          In de weilanden kan u vaak het hele jaar door onze 4 dames met de ram wel vinden. Als ze in het voorjaar weer lammetjes hebben dan is ons plaatje compleet. Er is niks leukers dan jonge lammetjes al springend door de wei zien gaan. 

          Ook onze schapen zijn zwoeger en scrapievrij gecertificeerd. (erkend scrapie/zwoegervrij bedrijf door de gezondheidsdienst voor dieren). Dit zijn ziekte's die voor veel narigheid kunnen zorgen onder de dieren. Bedrijven met een publieke functie  in NL zijn verplicht om vrij-gecertificeerde dieren te houden. Onze lammeren gaan daarom vaak naar kinderboerderijen en educateve centra. 

          De Zwartbles is in de jaren 1920–1930 door Friese fokkers geselecteerd uit de Schoonebeeker, waarbij ook gebruik is gemaakt van de Texelaar en het Melkschaap. De Zwartbles wordt daarmee ook wel als ‘verbeterde Schoone¬beeker’ aangeduid en is een vrij recente kruising met uitsluitend Nederlandse rassen als basis. Het Zwartblesschaap is een groot, goed bespierd en stevig schaap dat qua type tussen Texelaar en Melkschaap in staat. Het staat hoog op de benen, heeft een lange, bewolde staart en is ongehoornd. De oren staan horizontaal. Het heeft een bruinzwarte vacht met op de kop een bles, terwijl ook de onderbenen en de staartpunt wit zijn. Het schaap is goed vruchtbaar en werpt vaak een drieling. 

          Geschiedenis                                                                         Het zwartbles schaap is waarschijnlijk nog voor 1900 ontstaan uit de Schoonebeeker en het Bentheimer schaap. Ook is het mogelijk dat er nog wat Texels bloed in zit en eventueel wat Fries melkschaap. Bloedgroepenonderzoek heeft aangetoond dat het zwartbles schaap al een vrij grote afstand heeft van de Schoonebeeker. Een jarenlange selectie binnen de zwartblessen zal hieraan ten grondslag liggen. De historie van de zwartbles schapen gaat terug tot rond 1900. In die tijd werden de meeste lammeren uit Schoonebeek door Friese kooplieden opgekocht voor de bekende markt te Norg. Via een vaste route over Wezup werden ze te voet naar die plaats gedreven. In Norg werden deze lammeren doorverkocht aan Friese boeren (uit noordelijk Friesland), die met hun goede graslanden een snelle groei konden verwachten. Onder deze lammeren zaten nogal wat zwartblessen. Enkele boeren hebben hiermee doorgefokt. Uit deze lijnen is een groot deel van de hedendaagse zwartbles populatie voortgekomen. 

          In de jaren ’70 van de vorige eeuw was het handspinnen en knopen met gekleurde wol erg in trek. Daardoor ontstond er een snelle toename van het aantal zwarte, bruine en bonte schapen. Om ervoor te zorgen dat de Zwartblessen in deze stormachtige ontwikkeling als zodanig herkenbaar zouden blijven, is in 1979 onder auspiciën van de SZH de Fokkersclub voor Zwartblesschapen opgericht.  De diverse regelgevingen hebben tot uitwerking gehad dat veel grote fokkers hun kudde hebben teruggebracht. Er is nog wel belangstelling van hobby-fokkers. 

           

          Witrik/Streeprug koe  

                         

          Beppie 1, Beppie 2 en Beppie 3 zijn op dit moment de koeien die onze weilanden kort houden.

          De Nederlandse witrug, witrik, ruggeling of aalstreep is geen ras in de zin dat de kleurtekening van het dier altijd vererft. Het is een kleurslag, dat wil zeggen dat de kleuraftekening soms vererft, soms niet. Bovendien is er grote variatie in de kleuraftekening. Er zijn dieren die de witrik aftekening op een egaal haarkleed hebben, naast symmetrisch gespikkelde dieren en bijna witte witrikken met alleen gepigmenteerde oren en soms gevlekte poten.De kenmerken van de ideale witrik zijn: een witte aalstreep over de gehele nek en rug, deze aalstreep moet ter hoogte van de lendenwervel de breedte van die lendenwervel hebben; een witte staart; een witte onderzijde; en bij voorkeur een aan beide zijden gespikkelde kop. Stichting “de Witrik” maakt onderscheid tussen het “Oude type”, dat op het kruis maximaal 1,40 m. hoog is, een ruime voorhand, veel inhoud en weinig openheid heeft en een middelzwaar bespierd is, en de overige types, die de goede kleuraftekening hebben, maar verder alleen beoordeeld worden op beenwerk en het uier.

           Geschiedenis                                                                             De witrik heeft oude papieren. Van een gerechtelijke verkoping in Monnikendam in 1344 is bekend dat er negen zwarte witrikken, twee rode en een witte witrik verkocht werden. Ook op middeleeuwse schilderijen komt de witrik voor. Zo moet het kleurslag eeuwenlang een belangrijk deel van de Nederlandse veestapel hebben uitgemaakt. Bij de invoering van het Nederlands Rundvee Stamboek (1874) en het Fries Rundvee Stamboek (1879) werd echter gekozen voor slechts drie rundveerassen: de zwartbonte, de roodbonte MRIJ en de blaarkop. Witrikken, valen en baggerbonten werden niet erkend, en witrik- en ander kleurslagstieren mochten niet meer worden gehouden. Maar omdat veel boeren, overtuigd van de goede productie-eigenschappen van de witrik, deze dieren min of meer in het geheim hielden, stierf het kleurslag niet uit. In de jaren vijftig van de vorige eeuw keerde het tij. Onder de inspirerende leiding van Willem Geldof uit Papendrecht werd de rundveeverordening van 1950 geschrapt. De vereniging “het Nederlandse Aalstrepen stamboek” werd in 1953 opgericht, maar het kwam in de praktijk niet veel verder dan een adresboek. Het NRS erkende de vereniging niet. 

          De witrikfokkerij werd echter door een flink aantal veehouders voortgezet, als zuivere teelt of gekruist met bonten. Door de laatste praktijk heeft het merendeel van de Nederlandse witrikken tegenwoordig veel Holstein–Friesian of Red Holstein bloed. Maar er zijn ook een aantal boeren en hobbyisten die rustig doorgaan met het fokken van “fries-hollandse” witrikken of met MRIJ-typische witrikken. Het aantal witrikken in ons land werd in 1995 door de Stichting Zeldzame Huisdieren (SZH) geschat op 3000. Daarmee is het een kwetsbare diersoort. 

          De Witrik is in sommige regio’s bekend onder een lokale naam:           

          Friesland: Wytrêch
          Drente: Griemel
          Gelderland: Spikkel, streeprug, ruggeling, aalstreep en stippeltje
          Utrecht: aalstreep, ruggelder
          Zuid-Holland: witruggel of ruggel(ing)

          Voor meer informatie kan u kijken op www.witrik.nl 

           

          Bonte Bentheimer

          In onze stal lopen nu 2 Bonte Bentheimer zeugen en 1 Bonte Bentheimer beer. Ondertussen hebben de dames beide voor de eerste keer biggetjes gekregen.

          De Bonte Bentheimer is een middelgroot landvarken. Het heeft grote loboren en een onregelmatig zwart vlekken patroon op een witte of licht grijze ondergrond. De bouw is lang gerekt met een kort bekken. Een volwassen zeug weegt gemiddeld 180 kilo en een beer 250 kilo. De Bonte Bentheimer is het meest in zijn element wanneer ze sober en extensief gehouden worden. Wanneer ze langzaam groeien en veel structuurrijk voedsel krijgen leveren ze licht gemarmerd vlees van een goede kwaliteit. Wij voeren onze varkens daarom ook met eikels e.d.

          Geschiedenis                                                                             Rond 1840 waren de boeren in de regio Twente / Bad Bentheim niet langer tevreden over de prestaties van de toenmalige huisvarkens. Daarom begon men rond 1840 met het kruisen van de Europese landvarkens met Engelse beren. Uit deze kruisingen werden de gevlekte biggen met loboren gebruikt om verder mee te fokken. De jaren 50 van de vorige eeuw waren de hoogtij jaren voor het Bonte Bentheimer varken. De Tweede Wereldoorlog was net voorbij en de wederopbouw was in volle gang. Als goedkoop en eenvoudig te houden varken was de Bonte Bentheimer erg populair. Daarnaast was de Bentheimer vruchtbaar en leverde een uitstekende kwaliteit vlees. 

          Met de opkomst van de economie veranderde ook de vraag van de consument. Vetarm vlees werd nu gevraagd. De Bonte Bentheimer moest op grond van zijn ongunstige vlees-vet verhouding ten opzichte van de huidige veredelde landvarkens steeds meer terrein te verliezen. Ook de fokkerij veranderde, enkele economisch voordelige rassen namen de plaats in van vroegere regionaal aangepaste rassen. Het aantal fokkers van Bonte Bentheimer varkens nam drastisch af. Alleen de fokker Gerhard Schulte-Bernd uit Isterberg uit het graafschap Bentheim hield vast aan het fokken van de zwart-bonte varkens. In de jaren 90 van de vorige eeuw was hij nagenoeg de enige met Bonte Bentheimer varkens. Met nog zo’n 100 fokdieren werd het ras ernstig met uitsterven bedreigd. De hardnekkigheid van de heer Schulte-Bernd, het bewuster worden van de mens, en de toenemende vraag naar regionale producten, zijn een impuls voor een nieuwe bloeitijd voor het Bonte Bentheimer varken. Kijk ook eens op www.Zeldzaamlekker.nl of www.bontebentheimer.nl  

           

          Noordhollandse Blauwe of Noord-Hollandse Hoender                                 

                                                                                

          De Noord-Hollandse Hoenders behoren tot de zware vleesrassen. Ze hebben een enkele, rechtopstaande kam. De beenkleur is wit. Het is erkend in één kleurslag: koekoek. Bij de hanen is de kleur beduidend lichter dan bij de hennen. Dit komt doordat de hanen 2 keer de koekoekfactor bezitten en de hennen slechts 1 keer. De kam is enkel en rechtopstaand, de kop en oren zijn rood en de poten wit. 

          Geschiedenis                                                                         In de eerste helft van de twintigste eeuw was er grote vraag naar witvlezige slachtkuikens op de Amsterdamse pluimveemarkt. Dit hing samen met de vraag naar kippenvlees door de grote joodse gemeenschap in deze stad. Om hieraan te voldoen werden Mechelse Koekoeken ingevoerd. Dit ras kon zich echter niet handhaven in dit gebied. Vervolgens zijn dieren van dit ras gekruist met de in deze streek aanwezige hoenders. Deze mestkippen werden later gekruist met Plymouth Rock, een Amerikaans ras, dit om de eierproductie op te voeren. In de dertiger jaren van de 20e eeuw was het al een vrij uniform ras, dat vanwege het blanke vlees door poeliers erg gewaardeerd werd. Daarnaast bestond er een goede markt voor ’piepkuikens’ (drie maanden oude kuikens) en daarvoor bleek de Noord-Hollandse Blauwe, zoals het ras toen werd genoemd, thans Noord-Hollands Hoen genoemd, uitermate geschikt. Door concurrentiestrijd met Amerikaanse rassen kon dit ras het na de Tweede Wereldoorlog niet meer bolwerken. Het laatste grote fokbedrijf van Noord-Hollandse Blauwen werd in 1977 gesloten. 

           

          Lakenvelder Hoen               

                       

          De Lakenvelder dankt haar naam aan de overeenkomst met het Lakenvelder rund. De tekening van het ras is een zwarte hals en een zwarte staart, die een wit lichaam (laken) begrenzen. Dit zelfde beeld treft men ook bij de Lakenvelder koeien aan. Een andere verklaring voor de naam: het zou een kippenras zijn dat ontstaan is in de buurtschap Lakenvelt in de buurt van Meerkerk. Het ras is alleen erkend in de beschreven lakenveldkleurslag. Bij de krielen van dit ras bestaat echter ook de blauwe Lakenvelder waarbij het zwart is vervangen door blauw.

          Het Lakenvelder hoen is gemakkelijk te houden. Het vraagt geen speciale verzorging; een vrije uitloop is natuurlijk altijd aan te bevelen. Wel moet men erop bedacht zijn dat de dieren bij veel uitloop crème kunnen gaan verkleuren onder invloed van het zonlicht. Met name de hanen hebben hiervan veel last. Een uitloop onder bomen is daarom het allerbeste. Het Lakenvelder Hoen behoort tot de lichtere landhoensoorten. Een landhoentype betekent een redelijk fors dier doch niet te zwaar maar wel elegant.  

          Geschiedenis                                                                         Vermoedelijk is het ras ontstaan uit gepelde hoenders die sinds eeuwen overal in West-Europa voorkwamen. Dit is tevens de oorzaak dat men ook in Duitsland er vanuit gaat dat het ras in dat land is ontstaan. Maar M. d’ Hondecoeter schilderde al in de zeventiende eeuw (rond 1660) een Lakenvelder hen. Landhoenders zijn ontstaan uit de aanwezige natuurhoenders. Dit proces kan verlopen zijn via natuurlijke selectie; mutaties of door ingrijpen van de mens. Voor Nederland is deze laatste mogelijkheid een belangrijke bron geweest voor het ontstaan van de grote variatie binnen de Nederlandse Hoenderrassen. De Nederlanders hebben immers altijd de wereldzeeen bevaren. Het Hoen ging mee aan boord als leverancier van eieren en vlees. De dieren die niet nodig waren werden achtergelaten in de havens. Deze dieren werden vervolgens gebruikt om met de aanwezige natuurhoenders te kruisen.Landhoenders zijn de voorlopers van de huidige cultuurrassen en vertegenwoordigen als het ware de erfelijke basis hiervan. De Westerse landhoenders hebben allen witte oren, leikleurige loopbenen en leggen allen witte eieren. De landhoenders uit Azië daarentegen hebben gele poten, rode oren en leggen bruine eieren. 

           

          Welsumer Hoen

           

          De hanen zijn overwegend roodbruin van kleur, met zwarte borst-, buik-, en dijveren die met bruin doormengd zijn. De staart wordt vrij hoog gedragen en is groenglanzend zwart. De hennen hebben een middelmatig lange horizontale rug, een vrij kleine staart en een diepe volle legbuik. Ze zijn patrijskleurig met een warm roodbruinachtige grondkleur en donker zalmrode borst. De kleurslag roodpatrijs is uniek voor de Welsumer en komt bij geen enkel ander ras voor. De kam is enkel, rechtopstaand en vrij klein, de oren zijn rood en de benen geel van kleur. Het is erkend in één kleurslag: Roodpatrijs.

          Geschiedenis                                                                         Het Welsumer hoenderras is omstreeks eind 19e eeuw, begin 20e eeuw ontstaan in het dorpje Welsum en omliggende plaatsen op kleigronden langs de oever van de IJssel uit boerenkippen die gekruisd werden met diverse buitenlandse rassen zoals Maleier, Cochins, Brahma’s. In latere jaren werd nog gekruist met Barnevelders, Rhode Island Reds en Leghorns. Het ras staat bekend om zijn buitengewone grote, donkerbruine gespikkelde eieren, maar heeft zich uiteindelijk door een te lage productie niet als bedrijfsras kunnen handhaven. De oorzaak was een onjuiste selectie van de fokdieren op de eikleur. Bij goedleggende dieren vermindert in de loop van de legperiode de donkerbruine tint van de eieren. Door selectie van donkerbruine broedeieren werden de eieren van de slechte legsters als broedei gekozen.